Wereldwijd onderzoek heeft aangetoond dat de kans op overleven na een hartaanval het grootst is bij een goed functionerende “keten van leven”.

Deze keten bestaat uit: een snelle alarmering, tijdige reanimatie, vroege defibrillatie en snelle professionele hulp. In de meeste gevallen dat iemand een hartstilstand heeft is er sprake van kamer fibrilleren.
De circulatie is dan voor een leek niet waar te nemen en we spreken dan van een hartstilstand. Met behulp van de AED is dit fibrilleren wel te constateren en kunnen we direct defibrilleren. Met een eenvoudig apparaat zoals de AED kan elke opgeleide bediener een leven redden.

De EHBO-er / BHV-er start met de reanimatie nadat hij geconstateerd heeft dat het slachtoffer geen circulatie meer heeft. Ondertussen wordt de AED op het slachtoffer aangesloten. De AED gaat nu eerst een hartanalyse doen om te bepalen wat er met het hart aan de hand is. Daarna geeft het Nederlands gesproken instructies aan de hulpverlener. Het kan zijn dat er een schok wordt toegediend (defibrillatie), het kan zijn dat er moet worden doorgegaan met reanimeren. Nadat de reanimatie gestart is door omstanders wordt de overlevingskans vanaf dit moment bepaald door de tijdsduur totdat een stroomstoot het normale hartritme terugbrengt. Elke minuut dat het langer duurt voordat de defibrillator het normale hartritme kan terugbrengen, daalt de overlevingskans met 10%.